Boek

De kinderen van de nieuwe Aarde

In de periode dat in het Chinese Wuhan voor het eerst gewag werd gemaakt van het coronavirus Covid19, begon ik aan het schrijven van een boek waarin ik mijn droom rond een dorp van Liefde uiteenzet.

Het boek is in zijn ruwe versie af, en vanaf nu ga ik op zoek naar mensen die het willen nakijken op spellings- en andere fouten, en op de vlotte leesbaarheid.
Daarna wil ik het boek klaar maken om het in eigen beheer uit te brengen. Voor het Nederlands taalgebied zal dat waarschijnlijk gebeuren via Pumbo.nl.
Als alles goed verloopt zal je op deze pagina dus binnenkort een link vinden waar je het boek kan kopen, tot dan kan je hieronder het eerste hoofdstuk lezen.
De titel kan ik jullie al wel meegeven: “De kinderen van de nieuwe Aarde”

Ik schrijf ontzettend graag boeken, en heb er ondertussen vijf geschreven, waarvan twee samen met Ana-Magdalena.
In 2012 schreef ik samen met Ana-Magdalena het boek ‘De geboorte van een gezin’ waarin ik reeds in grote lijnen de droom van ons dorp uitschreef.


Hoofdstuk 1
Mijn broer Jezus

Wanneer ik dit schrijf ben ik 46 jaar.
Ik leef op dit moment in België, samen met mijn vrouw Ana-Magdalena, en haar twee zonen.
Ik leef in een huis zoals de meeste mensen hebben in onze westerse samenlevingen: een huis van steen. Sinds kort zijn we verhuisd naar zo een nieuw stenen huis, deze keer op het platteland en losstaand van onze buren, maar mét een mooie en ruime tuin erbij.
Voor die tijd hebben Ana-Magdalena en ik altijd op een klein appartementje gewoond, eerst in Rotterdam en daarna in Antwerpen.
In onze tuin leven we nu samen met zes volwassen bomen: vier sierlijke berken, een zachtaardige prunus niger en een super imposante rode beukenboom. Die zes bomen moeten er al zeker dertig jaar leven, en worden op het tuinperceel van onze buren vergezeld door heel veel andere bomen die ongeveer diezelfde leeftijd moeten hebben, onder andere een even imposante eikenboom die we vanuit onze tuin mogen bewonderen.    
Daarnaast hebben Ana-Magdalena en ik in onze tuin de voorbije twee jaren nog elf jonge boompjes bij geplant: tien fruitboompjes en een walnotenboom.
Niet toevallig allemaal vruchtenbomen, want we hebben de uitgesproken intentie om ons eigen fruit en onze eigen noten te eten.
In die tuin leven we samen met heel veel prachtige dieren, en zeven van die dieren hebben wij er bewust een plekje gegeven. Eigenlijk waren het er acht, maar we hebben een paar maanden geleden afscheid moeten nemen van een van hen: Blacky, onze mooie en zachte kattin, uiteraard met een zwarte vacht, op een paar witte haartjes na die ze op haar borst had.

Op een zomerse zondagnamiddag vonden we het dode lichaampje van Blacky op de weg die langs ons huis loopt, ongeveer dertig meter van ons huis. Zeer waarschijnlijk aangereden door een auto.
Op die zondagnamiddag werd ik er niet alleen geconfronteerd met het levenloze lichaam van onze lieve poes, maar ook met mijn eigen ondoordachte keuzes.
En het is vooral dat laatste dat me heeft doen nadenken.
Op zich hebben we op een mooie manier afscheid genomen van Blacky, en hebben we ter nagedachtenis een Seringenstruik geplant boven de plek waar we haar begraven hebben, zodat haar energie voor een tijd mag samen vloeien met die boom en de zoete geuren die die Seringenboom zal geven.
We hopen dat hij deze lente voor het eerst zal bloeien.  
Maar ik besefte bij haar dood plots vlijmscherp hoe naïef en ondoordacht ik was te werk gegaan toen ik twee jaar geleden had beslist om twee jonge katjes in ons huisgezin op te nemen.
Vooral ondoordacht omdat we naast een weg wonen, die alhoewel vraagt om een snelheid van maximum 50 kilometer per uur, toch auto’s langs krijgt die rijden aan de toegelaten 70 kilometer per uur, maar dus ook mensen die 80 of 90 km per uur rijden. Maar zelfs los van die snelheden, is het een autoweg en dus mogen er bij wet auto’s op rijden.
En met die auto’s vermoorden wij dieren, ook als we maar 30 km per uur rijden.
Ook de talloze andere dieren, zoals de massa’s vliegen, vogels, eekhoorns, konijntjes, etc….
Niet alleen vermoorden we dieren door het besturen van die auto’s, we doden er ook mensen mee. Statistieken leren me dat in België elke dag gemiddeld ongeveer twee mensen het leven laten in het verkeer, gemiddeld tien mensen zwaar gewond geraken en 123 mensen lichtgewond.
Hallucinante cijfers als ik ze voor het eerst voor me zag: 2 doden en 10 zwaargewonden die we dagelijks in België accepteren. Dagelijks. Enorm veel leed.
Catastrofes voor de betrokken gezinnen, familie en vrienden rond die mensen.
En in andere landen gebeurt net hetzelfde, wereldwijd is België geen uitzondering.
Volgens een rapport van het WHO van 2018 sterven er in de wereld dagelijks 3712 mensen, elke 23 seconden sterft er zo iemand ergens in de wereld omwille van een verkeersongeluk.
Dat we dat accepteren kan je afleiden uit ons taalgebruik: het is een ‘ongeluk’ in het verkeer, of pech, of op de verkeerde plaats op het verkeerde tijdstip. Jammer.

De precieze cijfers wist ik niet, maar ik wist op het moment dat we onze twee katjes aanschaften wel dat we met auto’s levens nemen.
Maar die waarheid had ik steeds beslist om niet vol tot me door te laten doordringen.
Tot op die zomerse zondagnamiddag waarop Blacky het leven liet, en ik plots niet anders kon dan die droeve waarheid helemaal tot me te laten doordringen.
Ik besefte dat niemand anders dan ik verantwoordelijk was voor de onnatuurlijke dood van dat prachtige dier, dat elke dag zo vriendelijk en zacht haar eigen zelve was geweest voor me.
Ik had beslist twee katjes aan te schaffen terwijl ik wist dat ons huis vlakbij een drukke autoweg lag en ik wist dat auto’s op regelmatige basis levens nemen.
Ik had even goed het aanschaffen van die twee katjes niet kunnen doen, en er vrede mee kunnen hebben dat ik in een huis leefde waar katten vaak geen natuurlijke dood is gegund.
Maar dat had ik dus niet gedaan.
Ik had kunnen wachten tot ik een huis had op een plek waar geen auto’s voorbij raasden.
Maar dat had ik dus niet gedaan.
Uit mijn beslissing sprak geen enkele verantwoordelijkheid ten opzichte van deze twee lieve en prachtige dieren.
Dat besef drong allemaal door op die zomerse zondagnamiddag.
Ik was dan misschien wel al een tijdje vegetariër, en zelfs veganist, maar als het om mijn eigen twee poezen ging, had ik er geen probleem mee dat een dodelijke autoweg vlak door hun leefgebied liep.  

Met het schrijven van dit boek en het uitvoeren van het levensproject dat er mee samen hangt, wil ik er onder andere voor kiezen om dit soort nare keuzes achter mij te laten en te kiezen voor een toekomstig leven dat niet meer akkoord gaat dat mijn eigen huisdieren op een zeer onveilige plek moeten leven waar auto’s hen elk moment van de dag van hun levens kunnen beroven.

Terug naar de tuin.
In die tuin leven we nu dus met zeven ‘huisdieren’, zijnde het zusje van Blacky dat wel nog leeft, haar hebben we de naam Tigra gegeven, een mooie en even zachte streepjeskat, wel iets minder makkelijk in de omgang. En sinds vorig jaar hebben we daarnaast nog vijf hennen en een haan, allemaal Cochinkippen, heel zachte en kleine kippen, met leuke veertjes op hun poten.
Die kippen waren de grote wens van mijn vrouw, Ana-Magdalena.
Ik begreep dat in het begin niet zo goed, ik ken kippen vanuit mijn jeugd als dieren die een tijdje achteraan de tuin leven op een klein stukje omheind gras, en die na enkele maanden geslacht worden. Bij mij thuis deden mijn ouders dat slachten zelf, en ook ik heb daar als kind actief aan deelgenomen. 
Maar ik heb nu Ana-Magdalena de voorbije maanden bezig gezien met onze kippen, en ik zie dat zij een immense band heeft met onze kippen, hen handtam heeft gemaakt en ze onze kippen heel innig kan vasthouden in haar armen, en hen hetzelfde soort kussen geeft zoals ik dat al sinds mijn jeugd doe met poezen.
Een wereld is voor me open gegaan, en deze zomer heb ik enorm genoten van onze kippen, en heb ik zelf ervaren hoe bijzonder het is als een kip op je knie springt en ze een tijdje op jouw been gaat zitten. Ze zijn me enorm dierbaar geworden.
En het zijn dieren die je bovendien binnen een domein kan houden, wat hen bestand maakt tegen een vroegtijdige en onnatuurlijke dood op de weg.
Ana-Magdalena en ik hebben zo onze volledige tuin omheind met kippengaas.
Onze zes kippen hebben op die manier het grootste deel van het jaar onbeperkt toegang tot de volledige tuin, en we delen nu onze tuin met hen, dat deden we al met Blacky en Tigra.   

Zoals je hopelijk voelt, is onze tuin en zijn onze dieren een van mijn grote bronnen van vreugde in mijn leven.
Mijn grootste en meest goddelijke bron van vreugde, die kan ik je wel al vlug even verklappen, dat is… mijn lieve en tegelijk beeldschone vrouw, Ana-Magdalena!  
Ik weet niet hoe jullie jullie levens nu leven en jullie levens tot nu toe geleefd hebben, maar ik heb daar voor mezelf recent een belangrijke ontdekking over gedaan.
Ik heb recent namelijk vastgesteld dat ik sinds mijn prille jeugd mijn leven heel bewust georganiseerd heb rond de volgende vraag: “Hoe kan ik hier op Aarde voluit leven?”
“Hoe kan ik hier als Bart helemaal tot mijn recht komen?”
“Hoe kan ik het meest grandioze leven leiden dat potentieel in mij zit?”
De centrale vraag hierbij was natuurlijk “wat is grandioos?”

Ik ben als kind altijd gebiologeerd geweest door de figuur van Jezus Christus.
Ik leefde als kind in een klein katholiek dorpje in België, en ging er naar een katholieke school.
Onvermijdelijk kwam ik daar in contact met de verhalen van Jezus Christus, daar Jezus binnen de Katholieke Kerk wordt gezien als zoon van God.
Dat klopt natuurlijk volledig, maar de Katholieke Kerk is er vergeten bij te vertellen dat wij allemáál de zonen en dochters zijn van God, en dus ook broers en zussen van Jezus Christus. Natuurlijk zou je dat niet onmiddellijk zeggen als je zijn leven vergelijkt met dat van de meeste van ons op dit moment, maar potentieel zijn we dat wel, allemaal.
En door het voor te stellen alsof Jezus een bijzondere creatuur was en de enige die in contact kon staan met God, heeft de Katholieke Kerk net het tegenovergestelde bewerkstelligd van wat Jezus voor ogen had, namelijk laten zien dat elk mens in contact met God kan staan als hij dat wil.
De Katholieke Kerk heeft zo de boodschap van Jezus voor veel mensen totaal ontkracht.
Maar niet voor mij.    

In de school was er het vak godsdienst, maar er was in ons dorp ook de kerk als stenen gebouw en instelling die er zijn plek had, onder andere met een priester en misvieringen die we klassikaal bijwoonden, zeker op katholiek belangrijke momenten in het jaar en in ons leven.
Daarnaast gingen we als gezin wekelijks naar de eucharistieviering, en zo kwam ik ook daar nogmaals in aanraking met de verhalen van Jezus Christus.
Thuis had ik mijn kinderbijbel.
En het waren de verhalen van Jezus die me hielpen om invulling te geven aan het grandioze leven dat ik wilde.

De verhalen vertelden hoe Jezus in zijn leven de meest prachtige dingen had gedaan, een leven had geleid waarin hij zijn hart steeds op nummer een had geplaatst, opgekomen was tegen onrecht en een fantastische beweging van mensen rond zich had gecreëerd.
Vooral zijn gerichtheid en mededogen voor mensen waar onze samenlevingen op neerkeken en -kijken, raakte me: armen, zieken, prostituees, gevangenen, en… kinderen.
Over kinderen deed hij uitspraken die me aan het denken zetten. Hij stelde dat het de kinderen waren die als voorbeeld konden dienen voor de mensen: “Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij mij te komen, want het koninkrijk in de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.” (Matteus, 19:13-15)
Hij deed uitspraken en stelde daden waarmee hij het beeld van een mens liet zien die een enorme liefde toonde voor zijn medemens.

Hij deed in zijn verhalen zo ongeveer het omgekeerde van wat ik iedereen rond mij zag doen.
Op school zag ik hoe kinderen die bijvoorbeeld qua kledij niet aan de norm voldeden, beschimpt werden. Kinderen met gaten in hun kledij werden aangepakt door andere kinderen, soms ook fysiek.
Ook in mijn klas zat op een bepaald moment zo’n jongetje dat aangepakt werd omwille van zijn kledij.
En het waren de verhalen van Jezus die me op die momenten inspireerden om niet op te gaan in de zwijgende massa die toe keek hoe dat jongetje constant werd beschimpt, maar om letterlijk en figuurlijk tussen hem te gaan staan en diegenen die hem beschimpten.
En ik deed dat met zo’n overtuiging dat diegenen die hem aanpakten na een paar confrontaties met mij hem met rust lieten als ik in de buurt was.
Diegenen die die jongen beschimpten, waren op andere momenten gewoon mijn ploegmakkers als ik met hen op de speelplaats voetbalde. En het klikte met hen, zolang ze die jongen maar met rust lieten.
Die houding straalde ik overal uit.

In mijn beleving als kind was ik een kleinere broer van Jezus die in zijn context tweeduizend jaar later deed wat zijn oudere broer zou kunnen gedaan hebben.
Jezus inspireerde me om in mijn wereld als kind waarden als liefde voorop te plaatsen.
Het was het leven van Jezus dat in verhaalvorm naar mij toekwam, dat voor mij de definitie werd van een grandioos leven.
En anders dan voor de meeste andere kinderen en volwassenen, zag ik dat niet als iets speciaal, onhaalbaar of ondoenbaar, voor mij was Jezus een mens van vlees en bloed, waar ik mee had kunnen spelen op de speelplaats als hij tweeduizend jaar later was geboren.
Hij was voor mij de broer waar ik enorm naar opkeek, maar wel een broer, wel een mens van vlees en bloed, het soort persoon dat ik ook kon worden.
Ik kon dat trouwens meteen zien toen ik klasgenootjes die geviseerd werden, begon te helpen.
Ik merkte weliswaar dat het moed vroeg toen ik op een bepaald moment zag dat vier leeftijdsgenootjes dat ene sjofel geklede klasgenootje van mij mee trokken in het WC-lokaal, en ik vlug het WC-lokaal binnenstapte en me tussen hen en mijn klasgenootje wrikte.
Daar stond ik, met vier potige leeftijdsgenootjes voor mij en achter mij dat sjofel geklede jongetje.
Maar ik zag dat die vier leeftijdsgenootjes plots niet meer wisten wat ze moesten doen als ik voor hen stond, en dan maar afdropen.
Ik kon zien dat ik geen onmogelijke dingen deed, en die vier leeftijdsgenootjes ook maar een beperkte mentale kracht hadden, ook al waren ze in aantal met meer en had ik hen al vaak eerder op de vuist zien gaan met andere kinderen. Ik daarentegen was geen vechterstype.  
Ik kende die vier leeftijdsgenootjes wel door en door. Ik had die ochtend nog een partijtje voetbal met hen gespeeld. Vaak zat ik in hun ploeg en gaf ik hen rugdekking als een van de verdedigers van de ploeg. Ze wisten dat ik er ook voor hen stond als we samen voetbalden en die band zette ik in wanneer ik opkwam voor de meer kwetsbare kinderen.

Dat was voor mij een grandioos leven: een leven waarin ik in mijn context er voor zorgde dat andere kinderen zich fysiek, emotioneel en psychisch veilig voelden.
Als kind betekende het dat ik opkwam voor andere kinderen rondom mij.
Het woordje grandioos zou je hier kunnen veranderen in rijk.
Rijkdom was voor mij als kind te vinden in de aard van de relaties die mensen – vooral kinderen – rondom mij met elkaar hadden.
Ik hield enorm van lachen, maar ik kon het niet uitstaan als andere kinderen of ikzelf werden uitgelachen.
Een lach moest voor mij zuiver zijn, en kon niet ten koste gaan van het emotioneel welzijn van anderen. Ik zette me dus onder andere in voor de zuivere lach.
Een plek waar de zuivere lach heerst, dat was en is voor mij pure rijkdom.
Roddelen was nog zoiets waar ik als kind op afknapte.
Ook als volwassene is dat onveranderd gebleven.
Ik begreep niet waarom andere mensen geneigd waren slecht te spreken over anderen als die niet meer in de buurt waren.
Mijn beeld van een grandioos leven betekende dat de sociale omgeving rond mij een bepaalde ‘kleur’ diende te hebben, een warme kleur waar mensen zich emotioneel veilig en geborgen voelden.       

Vanuit het beeld dat ik kreeg van het leven van Jezus, groeide bij mij langzaam maar zeker een droom.
Ik herinner me levendig dat ik ongeveer 9 jaar was, ik tijdens de lessen op school vaak wegdroomde, en mezelf dan als volwassene zag in een kleine kano waarmee ik op een rivier voer op weg naar afgelegen dorpen in de jungle om daar mensen te vertellen over het leven van Jezus.
Ik zag mezelf dan in die kano in de typische klederdracht van een priester-missionaris die ik kende van afbeeldingen en foto’s van onze eigen Belgische missionarissen die missiewerk deden in een vroegere kolonie van België, namelijk Congo, toen Zaïre.
Een witte pij met een witte hoed met brede, afbuigende rand hadden ze.
Ik zag me als volwassene het leven van Jezus en zijn levensfilosofie brengen in landen en dorpen die zijn verhalen nog niet kenden.
Ik wilde dat anderen ook in contact konden komen met die enorme hartstocht die ik als kind ervoer naar een puur leven waar iedereen zich geborgen kon voelen.
Dat was waar ik naar verlangde.
Ik heb dat nooit uitgesproken naar mensen, enkel stilletjes tegen mijn imaginaire broer, Jezus, heb ik het verteld.
Die droom is heel sterk in mij gebleven tot ik elf jaar was, en richting secundair onderwijs ging.
Die droom was voor mij geen imaginair spelletje van een kind, of dagdromen waarvan je weet dat deze niet echt zijn.
Voor mij was die wens echt, en ging het gepaard met de meest prachtige gevoelens van authenticiteit, warmte en mededogen.
Ik speelde niet dat ik de broer was van Jezus van Nazareth, ik wás zijn kleinere broer.
Ik wás een van zijn apostelen, zij het met tweeduizend jaar vertraging.
Ik zat als kind toen wel meteen met een bijkomend gewetensprobleem, want in de katholieke kerk kunnen priesters niet trouwen en een partner en een gezin hebben.
Maar ik was als kind al verliefd geworden op een meisje en zag de kans groot dat ik ook als volwassene van een vrouw zou houden.
Makkelijkheidshalve schoof ik dat probleem door naar de toekomst waar ik het dan wel zou oplossen.

Maar dat beeld van mezelf als priester-missionaris vervaagde sterk toen ik mijn middelbaar onderwijs instapte als twaalfjarige, daarna nog meer toen ik aan de universiteit studeerde, om tenslotte compleet te verdwijnen toen mijn volwassen leven begon.
Ik ben nu ongeveer vijfendertig jaar verder, en de laatste weken heb ik voor het eerst in die vijfendertig jaar terug contact gemaakt met dat kleine Bartje van negen dat in de les droomde om priester-missionaris te worden, het Bartje dat opkwam voor andere kinderen in zijn school wanneer ze emotioneel en fysiek hardhandig werden aangepakt, dat Bartje dat streed voor de zuivere lach, opkwam tegen roddelen en enorm graag voetbalde.
Ik was dat jongetje helemaal kwijt geraakt.
Maar wat verrassend was om vast te stellen: dat jongetje, dat is wie ik in mijn meest grandioze vorm ben, dat jongetje representeert wie ik echt ben, wie ik in mijn hart al die tijd geweest ben.
Vijfendertig jaar lang ben ik mezelf kwijt geweest, om na vijfendertig jaar ploeteren en zoeken, terug kennis te maken met de persoon die ik op mijn negen jaar in de kern al was.
Het is enorm vreemd om dat mee te maken.

Ik ben geen uitzondering.
Iedereen van ons heeft in zijn jeugd een aantal jaren in een puur contact gestaan met zijn ware zelf, in welke situatie hij of zij ook heeft verkeerd.
En net zoals bij mij zit dat meest zuivere contact in onze jonge kinderjaren, tussen onze geboorte en ons elfde levensjaar.
Daarna werd het voor mij en veel van mijn leeftijdsgenoten moeilijker en kwamen we bijna onvermijdelijk terecht in de mallemolen van onze huidige samenleving, simpelweg omdat er bijna geen waardige alternatieve levenswijze was, en tot op heden ook nog altijd niet is. Zo’n waardige alternatieve levenswijze moet je namelijk op dit moment zelf creëren.

We hebben allemaal in een staat van bewustzijn geleefd die resoneerde met onze meest pure vorm.
We hebben bijvoorbeeld allemaal geleefd op een onbevangen manier, zonder angsten of zware emoties.
Iedereen van ons heeft zo momenten of periodes gekend.
Ieder heeft zo situaties of omgevingen gehad waar dat het meest sterk naar voren kwam.
Bij mij was dat bijvoorbeeld wanneer ik voetbalde, als ik bij mijn buren was en wanneer ik een boer in onze buurt hielp op zijn boerderij.

Ana-Magdalena en ik hebben de voorbije drie jaar intens met mensen gewerkt, zowel individueel als in groep, en hebben kunnen vast stellen dat iedere persoon die wij begeleid hebben, momenten in zijn jeugd kan naar boven halen waarbij je zichtbaar kan zien dat ze hem of haar een intense blijheid brengen. Lichaamstaal liegt niet.
In deze momenten ligt jouw persoonlijk geheim tot grandiositeit en intens geluk verscholen.
Meestal ligt het zeer diep verscholen, maar het is er wel, het is er altijd.
Ook bij mij heeft het vijfendertig jaar gekost om mijn kern volledig en onbeschadigd terug te vinden.
Dat ligt er voor iedereen.
Dat stukje van ons is altijd onbeschadigd gebleven, ook al hebben we zeer zware trauma’s. Onder die trauma’s ligt altijd die onverwoestbare kern.

Nu, wat heb ik dan gedurende die vijfendertig jaar gedaan?
Ik ben mij, zoals al mijn generatiegenoten en de meeste jongeren die nu opgroeien, beginnen verbinden met de structuren, ideeën en concepten van onze samenleving.
In mijn geval bleek ik goed te kunnen meedraaien in het soort onderwijs dat voorbereidde op hogeschool of universiteit, en zag ik vlug dat mijn omgeving het enorm raar zou vinden als ik niet begon te studeren aan de universiteit.
In mijn middelbare school vroegen leerkrachten niet óf ik universiteit zou beginnen, maar naar wélke universiteit ik zou gaan.
Natuurlijk droeg ik dat sociale stuk in mij dat er wilde zijn voor mensen die het moeilijk hadden in onze samenleving, en dan kwam ik in de universiteit al vlug uit bij psychologie.
Na de universiteit kwam ik als bedrijfspsycholoog terecht in de wereld van vorming in bedrijven en gaf ik hoofdzakelijk trainingen rond verschillende sociale aspecten binnen bedrijven.
Heel natuurlijk stapte ik na een paar jaar over naar de wereld van de hulpverlening, vooral hulpverlening in gezinnen en met kinderen.
Dat laatste doe ik ondertussen vijftien jaar.
Ik heb hoofdzakelijk rond het welzijn van kinderen gewerkt, vooral in de Jeugdzorg.
Ik ben zo jaren aan huis geweest bij gezinnen met de bedoeling er voor te zorgen dat het welbevinden van de kinderen in het gezin er zou op vooruit gaan.
Gepassioneerd deed ik dat.
Ik heb enorm geloofd in de idee dat ik vanuit die Jeugdzorg zeer veel zou kunnen betekenen voor deze zeer kwetsbare jongeren. 
Ik ben in dat geloof enorm tegen muren gelopen, maar ben altijd recht gekrabbeld en heb tegen mezelf gezegd: “ik vind wel een weg waarlangs ik kinderen zal kunnen helpen ”, en ben verder gegaan.
Vandaag, anno 2020, moet ik met spijt in mijn hart erkennen dat ik al die vijftien jaar fout zat met mijn geloof, en dat het een blind geloof was, het soort geloof waarbij je graag ziet wat je wil zien.
Ik wilde zo graag zaken zien dat ik ze zelf in mijn hoofd fabriceerde.
Ik wilde graag zien dat ik vanuit de hulpverlening iets, hoe klein ook, kon betekenen voor kinderen en hun gezinnen, en ik maakte mezelf wijs dat dat ook zo was.
In de realiteit was dat nooit zo.
Het omgekeerde was eerder waar.

Met veel nederigheid moet ik vandaag erkennen dat ik meegewerkt heb aan een systeem waarmee ik vaak de psychische mishandeling van kinderen in de hand heb gewerkt en liet verder duren.
Het is pas de laatste twee jaar dat ik langzaam mijn roze bril van mijn neus heb kunnen halen en ben beginnen zien dat ik in de realiteit actief meewerkte aan een groot systeem dat gecreëerd is om het welbevinden van kinderen te ondermijnen.
Nederigheid is hier op zijn plaats.
Schuld en schaamte zijn dat niet, die helpen mij niet om te doen wat ik nu moet doen. Nederigheid is hier een betere raadgever.
Misschien denk je nu: “Bart, waar heb je het concreet over, man? Meewerken aan het ondermijnen van het welbevinden van kinderen vanuit de hulpverlening die betaald wordt door de overheid om kinderen te helpen? Hallo?”
Laat mij aan de hand van een verhaal duiden waar ik het over heb.

Een tijdje geleden werkte ik in een dienst die gezinnen ondersteunt die vragen hebben rond de opvoeding van hun kinderen.
Op zich een dienst die vooral werkt met ouders die zelf vragende partij zijn.
Doch, dat laatste was niet zo voor alle gezinnen.
In dergelijke gevallen waren het andere diensten die ouders vroegen om te bekijken hoe ze op een betere manier konden omgaan met hun kinderen.
Het merendeel van de diensten rond gezinnen kunnen dat wel vragen aan ouders, maar kunnen dat niet eisen van ouders.
Er zijn echter in Vlaanderen twee diensten die dat wel kunnen. Die twee diensten kunnen dat niet zomaar, dat is bij wet geregeld, maar ze vullen hun werking voor het grootste deel autonoom in, terwijl de overheid toekijkt.
Die twee diensten  hebben in Vlaanderen een wettelijke naam meegekregen, namelijk de ‘gemandateerde voorzieningen’.
Dit zijn twee soorten overheidsdiensten die onder de bevoegdheid vallen van een minister.
Daarnaast heb je nog een ander orgaan dat niet onder de bevoegdheid valt van een minister en dat nog een sterker mandaat heeft gekregen en nog sterker de bevoegdheid van de ouders kan inperken, in België zijn dat de jeugdrechtbanken. In andere landen bestaat daar meestal een equivalent van.
In de dienst waar ik op een bepaald moment werkte, kreeg ik een gezin toegewezen waarin én een gemandateerde voorziening én een jeugdrechtbank mee keek naar de opvoeding die een mama gaf aan haar twee dochters, een oudere dochter van acht jaar die onder toezicht van de jeugdrechter stond en een jongere dochter van vijf die gevolgd werd door een gemandateerde voorziening.

De oudste dochter verbleef sinds haar geboorte in een pleeggezin, en verbleef om de veertien dagen een weekend bij haar mama, de jongste dochter verbleef bijna voltijds bij haar.
De vraag van de mama naar mij was duidelijk: “Bart, ik wil er naar toe werken dat mijn oudste dochter terug voltijds bij mij kan inwonen, iets wat ze zelf ook wil, en ik wil dat langzaam aan opbouwen.”
Ik stelde samen met die mama doelstellingen op voor het traject dat ik met haar gezin zou lopen, en we spraken af dat ik af en toe in het weekend zou langs komen zodat ik ook kon werken tussen haar en haar oudste dochter.
Zo leerde ik op een weekend haar oudste dochter kennen, en net de week voor dat weekend had de jeugdrechter beslist dat die dochter niet vaker bij haar mama mocht verblijven, zoals zij aan de jeugdrechter had gevraagd.
De mama was daar zeer teleurgesteld over.
Ik praatte met haar dochter en vroeg haar wat zij vond van de beslissing van de jeugdrechter. Ze vertelde me dat ze daar ook teleurgesteld over was, want dat ze al een tijdje meer bij haar mama wilde verblijven. Ook zij was daarin realistisch en zei dat ze dat langzaam wilde opbouwen.
Ik stelde haar diezelfde vraag op drie verschillende momenten op drie verschillende manieren tijdens mijn huisbezoek, en kreeg driemaal hetzelfde antwoord.

Daarnaast stelde ik vast dat de mama het als ouder niet slecht deed met haar beide dochters. Zij was een rustige vrouw, die een goede band had met haar dochters, zich goed in hen kon inleven en die ook haar grenzen kon trekken als dat nodig was.
Dat had ik niet alleen tijdens dat weekend gezien, maar ook op momenten dat zij tijdens de week alleen was met haar jongste dochter.
Ik was op dat moment al verschillende jaren werkzaam in de Jeugdzorg en had al veel gezinnen begeleid met problemen, maar deze mama had het niet bijzonder moeilijk in de opvoeding van haar dochters in vergelijking met andere gezinnen, integendeel, zij wist een leuke sfeer op te bouwen en hoorde voor mij niet thuis in de groep van ouders die grote moeilijkheden hadden in het omgaan met hun kinderen.
Na een aantal huisbezoeken moest ik dan ook vast stellen dat ik die vrouw niet zoveel diende te begeleiden, en ik mijn interventies kon beperken tot observeren en het geven van hoofdzakelijk positieve feedback.
Het enige werkpunt was de gezamenlijke vraag van de mama en de oudste dochter om meer in het gezin van de mama te mogen verblijven.
Ik had daaromtrent al contact gehad met de dienst die zich bezig hield met de pleegplaatsing van de oudste dochter, zij waren daar namelijk verantwoordelijk voor, en ik had bij hen al via mail vragen gesteld bij de categorieke weigering van de jeugdrechter op de gezamenlijke vraag van de mama en haar oudste dochter om meer bij de mama te verblijven.

En dan gebeurde het volgende.
Op een dag riep mijn coördinator mij bij zich.
Dat gebeurde bijna nooit, en deze keer was diegene die mij coachte vanuit de dienst ook aanwezig bij het gesprek.
Ik werd gevraagd om plaats te nemen, maar kon zo al op hun gezicht zien dat het geen leuke babbel zou worden.
Ik vernam er dat er een klacht tegen mij was binnen gekomen van de dienst die in stond voor de pleegplaatsing van de achtjarige dochter van de mama die ik begeleidde.
De pleegmoeder had via haar pleegdochter en de biologische mama vernomen dat ik met haar pleegdochter had gepraat over haar wens om vaker bij haar mama te verblijven, en ook dat ik die wens vanuit mijn begeleidingswerk  in het gezin van de mama wilde ondersteunen.
Dat was niet naar de wens geweest van de pleegmoeder die de dienst pleegzorg onder druk had gezet, en zo was via die weg een klacht tegen mij binnen gekomen.
Daarenboven had de pleegmoeder er mee gedreigd dat ik in de weekends niet meer met haar pleegdochter mocht werken bij haar mama, want dat ze in dat geval de pleegdochter in het weekend niet meer bij haar mama zou laten gaan.
Mijn coördinator eiste van me dat ik me achter de zienswijze zou scharen van de dienst pleegzorg en dat ik de vraag van de pleegdochter om vaker bij haar biologische mama te mogen verblijven niet meer verder zou opnemen.
Hij noemde het “dat ik zou zoeken naar verbinding tussen onze twee diensten”, en wilde niet dat ik het conflict met de dienst pleegzorg zou aangaan.

Ik moest dus de gefundeerde vraag van een achtjarige dochter die meer tijd bij haar biologische mama wilde doorbrengen, naast me neerleggen, en moest akkoord gaan met de werkwijze van een pleeggezin en een dienst pleegzorg die in de feiten de pleegdochter behandelde als een adoptiekind, en er niet voor terugdeinsde om het contact tussen dochter en moeder in te zetten als drukkingsmiddel.
Ik viel net niet van mijn stoel van het schrikken.
Als begeleider die betaald werd door de overheid om het psychisch welzijn van kinderen te bevorderen, moest ik om mijn job te kunnen behouden in de praktijk het omgekeerde doen: meewerken aan het verder ondermijnen van het psychisch welbevinden van een achtjarig meisje dat gezien haar pleegplaatsing al voldoende zwaar gekwetst was.

Dit voorval is niet ongebruikelijk in de hulpverleningswereld. Ik ben het zelf regelmatig tegen gekomen, en heb het ook regelmatig bij collega’s zien spelen. In alle diensten waar ik gewerkt heb, zonder uitzondering.
Als je als dienst een conflict aangaat met een andere dienst in functie van het bevorderen van het psychisch welzijn van een kind of een jongere, vraagt dat dat je jezelf als dienst voldoende sterk en krachtig voelt in je eigen zienswijze, en die kracht en sterkte hebben de meeste diensten vandaag niet.
Ik zal meer zeggen: ik ken vandaag geen enkele dienst die zich wel voldoende comfortabel en sterk voelt om diepgaande conflicten met andere diensten en rechters in het voordeel van een jongere aan te gaan. Meer nog, ik denk ook dat dat onmogelijk is binnen de contouren die we als samenleving hebben uitgetekend. Maar daarover in een volgend hoofdstuk meer.
Ik heb dat gedurende de vijftien jaar dat ik werkzaam was  in de wereld van de hulpverlening altijd al aangevoeld, en heel sterk de laatste vijf jaar, maar eerlijk is eerlijk, ik had zelf niet voldoende persoonlijke kracht om dat te kunnen en durven erkennen.
Want wat houdt het in, denk je, als je deze constatering doet?
Enig idee?
Dan houdt dat in dat als ik het emotioneel en psychisch welzijn van kinderen en jongeren wil bevorderen, mijn plaats niet meer is binnen de professionele hulpverlening zoals we die vandaag kennen.
BAAF!!!

Maar waar was en is mijn professionele plaats dan wel?
Het bevorderen van het welzijn van kinderen en jongeren is de kern van wie ik ben, dit ben ik.
Sinds ik een kind ben, kom ik op voor andere kinderen, en is het mijn wens geweest om er voor hen te zijn die kwetsbaar zijn. Doorheen mijn ontwikkeling als mens is het mij alsmaar duidelijker geworden dat mijn hart en mijn missie ligt bij het bevorderen van het welbevinden van kinderen.
Daarbij moet ik zeggen dat ik dit nooit gevraagd heb of nooit gewild heb!
Als bedrijfspsycholoog heb ik de eerste jaren van mijn professionele carrière steeds gedacht dat ik me zou ontwikkelen als trainer-consultant en ik in staat zou zijn in grote bedrijven structuren uit te bouwen waardoor medewerkers met bezieling en passie in hun job zouden kunnen staan.
Ik zou dat kunnen combineren met het verdienen van een degelijk maandloon, en zou net als mijn ouders een leven kunnen leiden met een eigen huis en tuin, en geen geldzorgen.  
Toen ik ‘door toeval’ begon aan een opleiding als psychotherapeut aan de Relatiestudio in Gent, heb ik bij aanvang expliciet gezegd dat het niet mijn intentie was om te gaan werken als psychotherapeut, ik wilde die opleiding gebruiken om een betere trainer te worden in communicatievaardigheden in bedrijven! Maar desondanks hebben ze mij aanvaard.
Toen ik twee jaar later gegrepen was door de passie van psychotherapie en professioneel actief wilde zijn als psychotherapeut, werd er mij uit het niets een job aangeboden als gezinsbegeleider in de Jeugdzorg.
Ik had hier zelf enorm veel weerstand tegen: werken met gezinnen, met moeilijke opvoedingssituaties en jongeren die strafbare feiten hadden gepleegd, daar zat ik niet op te wachten!!!
Ik wilde als psychotherapeut aan de slag met volwassenen, ik wilde werken met innerlijke dialogen van mensen, ik zat niet te wachten op kinderen die problemen en overlast veroorzaakten.
Maar het was de enige job die ik als omgeschoold arbeidspsycholoog aangeboden kreeg in de welzijnssector, en het was maar een interim van enkele maanden. Na die enkele maanden zou ik wel een andere functie vinden, weg van de Jeugdzorg en het werken rond het welzijn van kinderen. En ondertussen deed ik ervaring op. Wat kon er fout lopen?
Maar na zes maanden boden ze me op die dienst een contract aan van onbepaalde duur, en was ik intens gaan houden van de job én van de kinderen.
En zo ging het maar door in mijn leven…

Wat speelde er op een ander niveau?
Op een onbewust niveau heb ik altijd geweten wat mijn roeping is: kinderen en jongeren inspireren tot een leven waar alleen liefde en blijdschap aanwezig is en geen plaats is voor lijden. Dat wist ik al op mijn negende, in de basisschool waar ik op kwam voor de kinderen die er gepest werden, en waar Jezus mijn broer was.  
Maar eens ik volwassen was, heb ik altijd onbewust geweten dat áls ik die uitdaging zou aangaan, ik zelf doorheen een enorme berg van ‘shit’ zou moeten, mijn eigen shit, dat ik mijn eigen trauma’s in de ogen zou moeten kijken en ik daardoor niet een keer door mijn emotionele pijngrens zou moeten gaan, maar honderden keren en de pijn steeds intenser en groter zou worden…  Ik zou niet een keer emotioneel moeten sterven en opnieuw geboren worden, maar honderden keren, dag in dag uit… Met daarbij de constante vraag of ik het wel zou overleven en niet ‘gek’ zou worden van de emotionele en de fysieke pijn die bij mij naar boven kwam…
Ik zou namelijk eerst zelf een beter mens moeten worden en mijn eigen zwaktes moeten aanpakken.  
Ik ben die uitdaging de voorbije twintig jaar aangegaan.
Het is effectief een enorme strijd geweest die ik dagelijks diende aan te gaan.
ik ben er ook bijna onder door gegaan.
Bijna.
En op dat bijna-moment was er gelukkig mijn vrouw, Ana-Magdalena.

Het was te midden van die strijd dat ik een tijdje geleden dan geconfronteerd werd met bovenstaand voorval waarin ik door mijn coördinator voor de keuze werd geplaatst tussen mijn job behouden en actief deelnemen aan het ondermijnen van het psychisch welzijn van een achtjarig kind of dat weigeren en ontslaan worden.
Ik merkte dat ik op de grenzen botste van wat ik binnen het bestaand professioneel kader kon doen voor kwetsbare jongeren…
Moest ik mezelf en alles waar ik voor stond dan aan de kant schuiven?

Ik wist het op dat moment totaal niet meer.
Wat ik wel wist, was dat ik niet actief zou meewerken aan het ondermijnen van het psychisch welzijn van een kind van acht.
Dus moest ik weg op die dienst.
Ik wilde mijn vertrek niet te pijnlijk maken voor de dienst waar ik werkte, en koos voor een zachte weg…
Ik besloot vlug te solliciteren voor een andere job, deze keer niet meer binnen het domein van de Jeugdzorg, maar binnen een domein dat er aan grenst, maar toch anders is en mij nieuwe professionele perspectieven zou kunnen bieden.
Ik solliciteerde en werd bijna onmiddellijk aangenomen, en kon vlug en zonder veel bijkomende problemen afscheid nemen van de job waar ik toen in zat.

Een nieuwe wereld opende zich voor mij…
Ik ging werken in een dienst die verbonden was met scholen, maar tezelfdertijd onafhankelijk opereerde van deze scholen. 
Deze dienst is een dienst die scholen ondersteunt als die vragen hebben rond het functioneren van een van hun leerlingen of een klas, dit op het gebied  van leren of op het gebied van het emotioneel of gedragsmatig functioneren van leerlingen.
Ik zou er vooral bezig zijn met dat laatste stuk, daar had ik vanuit mijn werk in de Jeugdzorg expertise in opgedaan.
Deze diensten heten nu in Vlaanderen de CLB’s, de centra voor leerlingenbegeleiding.
Op dit moment opereren deze CLB’s met een bepaalde vorm van autonomie, maar zijn in de praktijk wel afhankelijk van de scholen die met hen willen samenwerken.
Ikzelf zou hoofdzakelijk actief zijn in de basisscholen, voor leerlingen van vijf tot twaalf jaar.

Ik gooide me helemaal in deze nieuwe job, het liep goed, ik was er blij en ik dacht dat ik een nieuw hoofdstuk in mijn leven had aangesneden en ik daar professionele rust en voldoening zou vinden.
De toekomst lachte mij toe.
Na een aantal maanden In die nieuwe functie kreeg ik op een bepaald moment een vraag van een basisschool omtrent een leerling van tien jaar waar recent bij naar boven gekomen was dat hij zwaar gepest werd door leerlingen uit zijn eigen klas, en dat al gedurende vier jaar.
Meestal deed ik in die gevallen een observatie in de klas van die leerling en op de speelplaats.
In die klasobservatie ging het er best rustig aan toe, al kon ik wel zien dat die jongen zich enorm verkrampt gedroeg: ik zag heel veel zwaarte in zijn ogen, veel droefheid, het gezicht van een kind dat emotioneel op is.
Wat betreft de interactie met andere kinderen en de leerkracht, zag ik dat hij regelmatig opmerkingen gaf of vragen stelde die zeker door andere leerlingen van zijn leeftijd makkelijk als raar konden gezien worden, en ze hem daardoor makkelijk als een zonderling konden zien.
Ik zag dat de leerkracht het soms ook moeilijk had met zijn gedrag, en dat dan ongeveer zo verwoordde in de klas: “Dat is een beetje raar wat je nu zegt…”.
Meteen daarna zag ik dat een aantal leerlingen op de kar sprongen en de jongen begonnen uit te lachen. Maar heel verontrustend was hun reactie op zich niet, zeker niet omdat de leerkracht er zelf aanleiding toe had gegeven.    
Na de klasobservatie had ik enkel deze zaken geobserveerd, en dat was op zich niet zoveel als het neer kwam op pestgedrag. Het gedrag op de speelplaats had ik niet kunnen observeren door omstandigheden.

Meestal probeerde ik na de klasobservatie een gesprek te hebben met de jongere zelf, het liefst met zijn ouders erbij en in zijn thuiscontext.
Dat kon ook deze keer, en ik trok op een avond naar het gezin van de jongen, waar ik naast hem nog zijn mama, papa en zijn zus ontmoette.
Ik zag er betrokken ouders.
De jongen van elf vertelde dat hij al vier jaar gepest werd, maar het pesten vorig schooljaar heel intens was geworden, toen er een meisje van een andere school naar zijn klas was gekomen.
Dat meisje was de hoofdpester en had rond haar vijf leerlingen verzameld die zij allerlei pestopdrachten liet uitvoeren, zoals dat heel vaak het geval is bij pesten, de zogenaamde adjudanten die de hoofdpester rond zich verzamelt.
De hoofdpester maakte verhalen op die psychisch enorm zwaar waren voor de jongen.
De verhalen hadden allemaal dezelfde ondertoon, namelijk dat de jongen dermate “ziek”, afwijkend en “vies” was dat hij een gevaar was voor de andere kinderen.
En dat in een periode dat er absoluut nog geen sprake was van het coronavirus Covid19.
De hoofdpester maakte dagelijks een nieuw verhaal van de jongen waarin hij belachelijk werd gemaakt en werd beschimpt vanuit verschillende hoeken: hij was dik, dom, bekrompen, etc… 
Een van de verhalen was dat de jongen een besmettelijke ziekte had, de “…..-ziekte”, met voor het woordje ziekte zijn naam, en dat al wie hem letterlijk aanraakte besmettelijk ziek werd.
Rond die “ziekte” had die hoofdpester een hele cultus opgezet, waarbij die jongen elke dag aan een soort virtuele schandpaal werd gebonden en hij ten toon werd gesteld als ziek, besmettelijk en vies.
Zo had de hoofdpester een ‘spelletje’ gecreëerd op de speelplaats waarbij een cirkel op de grond werd getekend met krijt en op een bepaald moment geroepen werd dat iedereen die binnen de 10 seconden niet in de cirkel stond ook de “…..-ziekte” had. En dan werd er luidop afgeteld. Bijna iedereen van de klas van de jongen deed mee aan het ‘spelletje’, op een jongetje na die hem steunde en af en toe beschermde. Want er was ook fysiek geweld ten opzichte van die jongen, waarbij hij geslagen werd en aan de haren werd getrokken.
Recent was er een zitbank, die op de speelplaats stond en waar de jongen in kwestie op een bepaalde dag op had gezeten, verklaard tot besmettelijke plek en werd iedereen die er op wilde zitten aangemaand dat niet te doen wegens besmettingsgevaar. Niet alleen alle klasgenootjes van die jongen respecteerden dat gebod, ook andere klassen deden dat, en zo was het dat er constant een lege zitbank was op de speelplaats, een aanschouwelijk zichtbaar teken dat iedereen kon zien en uitschreeuwde  dat die jongen vies en smerig was.

En zo ging het verhaal van die jongen minutenlang door met dit soort psychische horrorverhalen, tot ik hem op een bepaald moment diende te stoppen met de vraag: “Hier kan je nog wel even mee doorgaan, niet? Je kan er waarschijnlijk een gans boek over schrijven?” De jongen knikte zacht.
Ik was als volwassene helemaal aangedaan door deze horrorverhalen en voelde op lichamelijk niveau hoe zijn verhaal me raakte. Ook de moeder die dit verhaal voor het eerst expliciet hoorde, was zichtbaar aangedaan door de horror waar haar zoon elke dag door moest.
In dit soort gevallen had ik altijd de piste in mijn hoofd dat we dit pestgedrag op klas- en schoolniveau konden aanpakken, en dus legde ik die piste voorzichtig op tafel.
Maar al vlug vertelde de jongen dat dit pesten al een tijd speelde, hij dit al eerder had kenbaar gemaakt, maar de school steeds de andere kant had opgekeken, en hij nadien nog harder was aangepakt door de pesters.
Zelf wist ik dat dit verhaal twee maanden voor mijn huisbezoek op een overleg op school in die intensiteit al was naar boven gekomen. 
Ik vroeg daarom: “En hoe is het pesten de laatste twee maanden geweest, is daar voor jou verandering in gekomen?”
“Nee”, zei de jongen gelaten, “het is gewoon blijven doorgaan”.
En hij gaf enkele voorbeelden van de voorbije twee maanden die de ouders bevestigden waar ze konden.
Ik volgde daarom de jongen in zijn analyse: de school had zeker twee maanden de tijd gehad om in te grijpen, ze kenden alle feiten die ze nodig hadden om dat te doen, maar er was niets gebeurd voor de jongen.
Dat was niet het soort reactie waardoor je als leerling voelt dat er een voldoende bewustzijn aanwezig is bij de school over de zwaarte van de gebeurtenissen, en je weet dat je vanaf nu wel zal gesteund en beschermd worden door de school. Integendeel.
Het beste advies dat ik de ouders kon geven was dan ook om hun zoon zo vlug mogelijk van school te veranderen, en dat advies gaf ik hen ook.
De papa schrok niet van mijn advies, want hij had dat zelf ook al op tafel gelegd naar zijn vrouw, maar die was hem daar niet in gevolgd. De jongen was zichtbaar opgelucht en blij toen ik het voorstel terug op tafel legde.
We gingen uit elkaar met de afspraak dat het gezin verder zou nadenken over mijn advies.

Een paar dagen na mijn advies, gebeurde het volgende.
Ik werd bij mijn coördinator geroepen die me meedeelde dat de directie van de desbetreffende school hem had gecontacteerd, en zeer ontstemd was over het advies dat ik de ouders had gegeven.
Die directie van de school wilde vlug een persoonlijk onderhoud met me.
We maakten een afspraak, en ik had een gesprek met de directie van die school.
De dag na dat gesprek werd ik voor de tweede maal bij mijn coördinator geroepen, en hij vertelde me dat de directie van de school zich nu daarenboven nog door mij persoonlijk aangevallen voelde, en had beslist niet meer met mij samen te werken.  
Ik had in die school nog verschillende andere dossiers lopen rond kinderen, en al die dossiers zouden in vraag gesteld worden.
In de praktijk betekende dit dat deze school mijn ontslag vroeg bij het CLB.
Een week daarna kreeg ik dat ook.

Ik had natuurlijk dingen gezegd die voor de directie niet makkelijk waren om te horen: ik had gezegd dat de school in dit concrete geval de mist was ingegaan, en ze een zwaar pestverhaal gedurende maanden niet had gezien, en eenmaal het onomstotelijk op tafel was gebracht, ze het nog niet had willen zien, en nog steeds niet wilde zien wanneer ik de directie daarover aansprak en haar concrete oplossingen voorstelde.
Maar wat men mij verweet, had ik niet gedaan: ik had de directie en de leerkrachten van de desbetreffende school niet persoonlijk aangevallen. Integendeel.
Ik had namelijk ook gezegd dat ik er mij niet tegen zou verzetten als de directie er voor koos om niets te doen aan het probleem omdat ik wist dat dit een moeilijk verhaal was, waar je als directie en school sterk voor in je schoenen moest staan.  

De logica van mijn ontslag was voor mij ondertussen herkenbaar: ik gaf een duidelijk en enig overblijvende advies aan ouders en hun kind zodat het extreem psychisch en fysiek geweld tegen hun kind kon stoppen, vrijblijvend, en ik werd een tijdje erna ontslaan.
Kinderen veranderen wel vaker van school, om uiteenlopende redenen, dus dat advies op zich was niet abnormaal. 
Maar ik zag wel de volgende constante opduiken: als hulpverlener opkomen voor het welzijn van een kind, betekent in de realiteit van onze samenlevingen meteen ook je ontslag als hulpverlener.
Zelfs al deed ik dit op de meest integere manier.
Daar kon ik nu niet meer rond.
Het deed er niet toe in welke sector ik werkte, overal was dit de conclusie.
Als hulpverlener opkomen voor het psychisch welzijn van een jong kind zodat bijvoorbeeld zwaar pestgedrag stopt, is in de praktijk in onze scholen onmogelijk.   
Maar deze keer ging het veel verder dan mijn eigen job als hulpverlener, en de onmogelijkheid om als hulpverlener psychische mishandeling van kinderen te kunnen stoppen…

Vanuit mijn contacten met verschillende basisscholen wist ik namelijk dat het fenomeen van pesten zich in alle scholen voordoet, en dat de meeste scholen hier geen antwoord op hebben, en dus in de realiteit volledige klassen en ook scholen in de ban zijn van een of enkele pesters, en zowel de kinderen die gepest worden én de kinderen die meegezogen worden in pestgedrag, een heel zwaar psychisch trauma overhouden aan zo’n pestgebeuren.
Veel scholen hebben niet het besef dat er gepest wordt in hun klassen, of hebben geen beleid waarmee ze dat pesten kunnen opsporen en bijvoorbeeld in de kiem kunnen smoren.      
Maar zelfs de enkele scholen die het pesten wel op de radar hebben, kunnen binnen het bestaande schoolsysteem vaak niets doen om daar verandering in te brengen.

Ik had zo een basisschool waar ik samenwerkte met een directie die heel duidelijk wist dat een van zijn leerlingen in het zesdejaar een hele klas en een hele school in zijn ban hield, en dit deed op een meedogenloze manier.
Het was niet enkel een verhaal van de leerling in kwestie, maar ook van de ouder van het kind die actief na en tijdens de school andere kinderen intimideerde.
Een ouder die andere kinderen met de auto volgde tot thuis en voor het huis allerlei intimiderende zaken ging doen. Ongezien!
De realiteit overtrof hier zoals altijd de fictie.
Ik had met die directie verschillende keren samen gezeten, wij hadden samen met andere diensten uit het onderwijs een plan opgemaakt waardoor we op korte termijn de zaken konden keren in die school, en die leerling konden aanpakken.
Alles was klaar, de datum voor de gesprekken lag al vast, en op het laatste nippertje belde de directie af.
Die directie was eerlijk: die leerling bleef nog maar enkele maanden op de school, en zou dan sowieso de overstap maken naar het secundair onderwijs.
Die directie nam de eerlijke en openlijke keuze om die leerling niet aan te pakken, en het pestgebeuren nog enkele maanden uit te zitten.
Ik respecteerde in dit geval de eerlijkheid van die directie naar mij, maar ik stond ook hier te kijken naar een verschrikkelijk verhaal waar heel veel kinderen onder leden, en waar ik ondanks mijn expertise en kennis niets aan veranderd heb.

In de realiteit kan je ook niets doen aan een pestgebeuren als de ouders van de pester in kwestie niet bereid zijn om mee te werken. En de realiteit is dat negen op de tien van de ouders van pesters niet bereid zijn om mee te werken met de school, en het licht van de zon ontkennen: “Mijn kind doet niets fout, het zijn de anderen, meneer Renaer!”
De scholen hebben bijna nooit de mogelijkheid om in dat geval te zeggen: “Sorry, maar in dat geval is jouw kind niet meer welkom in onze school.”
“Waarom niet?”, zal je denken.
Wel, om een kind uit te sluiten uit een basisschool heb je als directie het akkoord nodig van de Inrichtende Macht van een school, de raad van bestuur, en die geven daar op dit moment nooit groen licht voor.
Dus, in de realiteit zit je meestal vast met een pestend kind als zijn ouders niet willen meewerken, in negenennegentig procent van de gevallen dus.

Maar zelfs als je als school een ouder zo ver krijgt dat het zijn pestend kind van school haalt, blijft het probleem op niveau van de samenleving onopgelost, want in onze samenlevingen is er in de feiten een schoolplicht, en kan een andere school niet anders dan dat kind in te schrijven in zijn school, zelfs al zou het dat niet direct willen, gezien zijn achtergrond.
Ik heb zelf zo’n school ondersteund in een dergelijk verhaal.
De school speelde het deze keer wel hard naar de ouder van dat kind, en eiste van de ouder dat hij samen zou werken met het CLB om in de thuissituatie zaken te veranderen. Een week later had de ouder zijn kind van school veranderd, en was zo slim geweest naar een school te gaan die verbonden was met een ander CLB, waardoor ook ik als CLB-medewerker buiten spel werd gezet. En zo was die leerling op zes jaar tijd aan zijn vierde basisschool toe.

Dus, de realiteit is dat het als ouder en als leerling Russische roulette spelen is, alleen niet met één kogel op een cilinder van zes zoals gebruikelijk, maar meestal met vijf kogels en slechts een kleine kans om de dans te ontsnappen. 
In geen enkele school in onze samenlevingen kan je op dit moment zwaar pestgedrag vermijden.
Er is gewoon geen oplossing!
Naar welke school je je kind ook stuurt, het loopt een zeer reële kans om in een zwaar pestverhaal terecht te komen, aan de kant van de pesters of aan de kant van het kind dat gepest wordt, al gedurende de kleuter- en lagere school! En dat zijn jonge kinderen, dan heb ik nog geenszins gesproken over de kinderen van twaalf tot achttien jaar. 
Dat is een nog ander en veel zwaarder verhaal.
Over leerkrachten die door een groep leerlingen een dag vastgebonden wordt in een bezemhok, hoor je meestal niet veel.
En ondertussen doet iedereen zoals in het sprookje van “De nieuwe kleren van de keizer” waarbij de keizer naakt op straat verschijnt en iedereen van zijn onderdanen doet alsof hij prachtige kledij aan heeft.

Hoe kan je zoiets als ouder, grootouder of betrokkene op een schoolplichtig kind anno 2020 in goede banen leiden?
Het is een vraag die ik je als lezer graag voorleg bij het begin van dit boek.
En ik weet dat de meeste lezers wel op een of andere manier betrokken zijn op een kind dat nog in de leer- of schoolplicht zit, en vaak in de feiten verplicht is om naar school te gaan.
Hoe kan jij als ouder, grootouder, oom, tante, broer, zus, vriend, vriendin, liefje, buur of andere betrokkene er voor zorgen dat het kind of de jongere waar jij op betrokken bent niet als gepeste wordt meegezogen in een dergelijk horrorverhaal, of als adjudant van de hoofdpester niet emotioneel gaat inbeuken op een ander kind, of als kind uit de zwijgende massa mee moet kijken naar zware psychische mishandeling?

Ik zal je een tip meegeven: als je als ouder of andere betrokkene denkt binnen het kader van de huidige schoolcontext, zie ik geen enkele reële piste waarmee je dat kan vermijden.
Elke maatregel is als een pleister op een houten been: het heeft geen enkel nut.

Waarom ga ik hier op in bij het begin van dit boek?
Ik wil via dit boek mensen inspireren om zelf te gaan nadenken over dit soort existentiële vragen, het liefst zoveel mogelijk mensen, het liefst alle mensen die zich betrokken voelen op kinderen en jongeren. Maar in het bijzonder ouders of potentiële ouders.
Dus, ook de jonge mensen die er over nadenken om een kind te creëren, en de ouders van die jonge mensen die potentieel oma en opa kunnen worden.
Praat hierover met elkaar, en geef samen een antwoord op deze vragen.
En geef een doordacht antwoord, maak je niet af van die vraag met het antwoord dat een andere persoon, een school, een wetenschapper, of een politicus wel een antwoord zal verzinnen, en jij niet slim genoeg bent om dat antwoord te bedenken, of je dat antwoord niet alleen kan geven maar afhankelijk bent van anderen.
Neen, het antwoord kan en kan enkel van jou komen als ouder.
Het kan zijn dat je andere mensen nodig hebt om dat antwoord in de realiteit te brengen, maar jij dient dat project te sturen, bent eindverantwoordelijk voor het slagen van dat project en dient vooraf een realistisch en uitvoerbaar plan te hebben. Dat project uitwerken kan geen enkele vreemde voor jouw kind, eenvoudigweg omdat het niet zijn of haar verantwoordelijkheid is, maar die van jou.
Jij hebt het kind in de wereld gebracht, bij natuurwet ligt het antwoord bij jou.
Het is ook niet de verantwoordelijkheid van een opa of oma, tenzij beide ouders zijn gestorven.  

Ik kom tenslotte terug bij mijn eigen verhaal.
Het is zo dat ik pas sinds een paar maanden mijn roeping heb aanvaard, en weet dat ik kinderen en jongeren op weg zal helpen naar levens waarin er enkel nog liefde is.
Die roeping had ik al toen ik als negenjarige opkwam voor mijn klasgenootjes die gepest werden.  
Dat was en is altijd mijn taak geweest, maar ik heb er makkelijkheidshalve steeds omheen gefietst, ik heb het probleem niet willen zien.
Maar daar ben ik nu klaar mee.
Ik weet nu dat dat hetgeen is wat ik aan deze wereld te bieden heb.
Ik ga er deze keer niet meer met een boogje rond lopen.
Het schrijven van dit boek is daar de start van.
Ik vertel mijn verhaal, en zal mijn eigen antwoord geven op onder andere de vraag die ik hierboven stelde aan jullie als lezer.
Ik zal mijn antwoord uitwerken in dit boek, en ik zal daarna een project in de wereld zetten waarin ik concreet een – kleine – wereld zal creëren waarin enkel liefde en blijheid is voor kinderen, en ze vanuit die pure bron zelf hun leven kunnen creëren.  

Voor alle duidelijkheid: dit is geen project waar ik op zat te wachten.
Ik had veel liever gehad dat ik dit werk niet meer had hoeven te doen, dat ik kon aanschuiven aan een tafel die al gedekt was, dat ik kon meestappen in een project dat al bestond.
Maar het project bestaat niet, een wereld waar kinderen zich thuis voelen is er niet, er is zelfs nog geen begin van zo’n wereld gemaakt, en ik kan niet langer weg kijken van al het lijden van kinderen, terwijl ik weet hoe we het lijden kunnen stoppen. 
Verwacht geen antwoord dat past binnen de bestaande contouren, dat is er niet.
Verwacht ook geen antwoord dat zich verzet tegen de bestaande structuren, daarin zit het antwoord  ook niet.

Ik wens je veel leesplezier!